SPREEKWOORDEN EN GEZEGDEN

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


  • Laat ze maar kammen, die geen haar hebben:
    Laat ze hun gang maar gaan, ze hebben de
    middelen niet, ze kunnen je niet deren


  • Iemand het haar uit de kale kop trekken:
    Ook het laatste geld afnemen

  • De haren ten berge doen rijzen:
    Fel afschrikken, angstig maken

  • Gekrulde haren gekrulde zinnen:
    Vreemdelingen hebben andere zeden en gewoonten

  • Zo grijs als een duif:
    Grijs haar hebben

  • Grijze haren van iets krijgen:
    Ergens erg door gekweld worden

  • Spijt hebben als haren op zijn hoofd:
    Erg veel spijt hebben
  • Zich de haren uit het hoofd rukken:
    Erg veel spijt hebben

  • Op een haar:
    Er maar net naast

  • Met de handen in het haar zitten:
    Geen oplossing meer weten

  • Met huid en haar:
    Geheel en al

  • Men kan geen kaalkop bij het haar vatten:
    Bij de arme valt niets te rapen

  • Elkaar in het haar zitten:
    Ruzie maken

  • Elkaar in het haar vliegen:
    Ruzie maken

  • Geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt:
    Ik doe het beslist niet

  • Geen haar krenken:
    Geen kwaad doen

  • Een haar in de boter vinden:
    Op het kleinste detail vitten

  • Een haar in de boter:
    (er is) ruzie

  • Waar geen haar is, is het kwaad kammen:
    Waar niets is, kan niets worden gehaald
  • Met de haren erbij slepen:
    Iets erbij halen dat er niets mee te maken heeft

  • Zijn wilde haren verliezen:
    Ouder en rustiger worden

  • Er zitten vreemde haren in hem:
    Afwijkende ideeŽn

  • Men moet de gelegenheid bij de haren grijpen:
    Maak gebruik van het juiste moment

  • Zich geen grijze haren laten groeien:
    Zich geen zorgen maken

  • Kinderen van de kapper hebben altijd lang haar:
    Zo druk zijn dat je je geen tijd neemt om voor je zelf te zorgen

  • Ben je een haartje beduveld?:
    Ben je niet goed snik?

  • Daar is geen haar van aan:
    Dat is niet waar

  • Dat is hem niet naar het haar:
    Dat staat hem beslist niet aan

  • Dat komt van pas als een haar in de boter:
    Dat komt ongelegen

  • Dat scheelt geen haartje:
    Net op het nippertje, net gehaald, op het randje

  • Een vrouwenhaar is sterker dan een scheepstouw:
    Menige vrouw heeft een zeeman naar de wal gelokt

  • Een vrouwenhaar trekt sterker dan tien paarden:
    De invloed van een vrouw is zeer sterk

  • Er deugt geen haar op zijn hoofd:
    Door en door slecht

  • Zijn haar staat kroes:
    Uit zijn humeur

  • Veel haartjes maken een borstel:
    Vele kleintjes maken een grote

  • Van geven valt zijn haar uit:
    Een gierig mens

  • Om een haar versteekt men geen boterpot:
    Als het doel belangrijk is, spaar dan niet op de kosten

  • Rood haar en elzenhout zijn niet op goede grond gebouwd:
    Wees voorzichtig met roodharige mensen

  • Alles op haren en snaren zetten:
    Alle middelen aanwenden - alles in het werk stellen

  • De gelegenheid bij de haren grijpen:
    De kans niet laten voorbijgaan

  • Iemand van haar noch pluim kennen:
    Iemand niet kennen

  • Iemand geen haar krenken:
    Geen kwaad doen

  • Iemand geen haarbreed in de weg leggen:
    Iemand niet hinderen

  • Hij vindt een haar in het werk:
    Hij heeft geen zin in dat werk

  • Hij weet het tot op een haartje:
    Hij weet het precies

  • Hij weet van hot noch haar:
    Hij is niet erg slim

  • Hij wordt rood tot in het haar:
    Blozen

  • Hij draagt zijn muts op drie haartjes:
    Hij is nogal losbandig

  • Hij heeft er veel haar gelaten:
    Hij heeft veel geld verloren

  • Hij heeft pijn in zijn haar:
    Een kater

  • Haar op de tanden hebben:
    Iemand die zich met woorden flink weet te verweren

  • Geen haar op mijn hoofd, dat eraan denkt:
    Dat ben ik beslist niet van plan

  • Geen haar beter zijn:
    Even slecht

  • Er geen haar van geloven:
    Er niets van geloven

  • Hij is zo kaal als een biljartbal:
    Erg kaal, heeft geen haar op z'n hoofd