GEDICHTEN
Schrijf je ook gedichten?
We zouden het leuk vinden als je gedichten, die gaan over HAREN, met ons wil delen.
Dus stuur ons je gedichten en wij zullen ze plaatsen op onze gedichten pagina.

[1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] >>


LOF MYNS LIEFS HAER-TROS . (1611)

Och Haer ghestruevelt Haer, dat soo vlammende blinckt,
Dat ghy Phoebus Haer-schyn verre ten onder brinckt :
Wie sal het minste . deel van u weerde . beschryven,
Of in de penn' en sal spraeck-aerme Vele blyven?
Ghy zijt de kroon des hoofts, en van het hooft een hooft,
Van schoonheydt zijn zij oock, die van u zijn berooft:
Al-waeroock Venus self met schoon purper omvanghen,
Met Ganges klaer ghesteent', met Tagusgoudt behanghen,
Of al-waer zij oock naeckt, soo zijvoor Paris stondt,
Als haer des schoonheydts prijs den Appel wierdt ghegont ;
Den traegh-voetighen Godt sou de walgh van haer steken ,
Siend' het schoon-maeckend' Haer aen zijn huysvrouw' ghebreken .
Zijt ghegroet, gulden Haer, ghy zijt die myn lief schoon,
Oock boven Venus doet spannen des schoonheydts kroon.


Rondom 'themelsch' aenschyn ,
kondt ghy u rycke spreyden ,
En tusschen uws ryckx pael u selven nochtans leyden:
Ghy myns liefs ooghen-strael belommert en beschaut
Brekend' haer sterck ghesicht,' twelck myn herte benaut :
Het voor-hooft van ivoir set ghy hooghe verheven ,
En schynt als Over-heer hem zijn vrydom te gheven.
Och wat een aensien ist, als ghy in een root lint ,
Het liefde-flauw ghesicht van den minnaer verblindt:
Als ghy, d'halsen ghelijck van glimperende duyven,
Der Sonne-straelen kracht te rugghe doet weerschuyven:
Als ghy als eenen Pauw die zijnen steert ontpluyckt ,
Verwen duysenderley reghen-bogich ont(p)luyckt:
Als ghy Pyramidael ,en tor-wys opghedreven,
Een oprechte vlam' viers op myns liefs hooft doet beven.
Dit is het vier, ô lief, het welck gheeft een voor-wys
Van dien u met goedt recht behoordt, hemelschen prys.
Op Tullus hooft voor-tydt een licht vier quam ghesoncken,


Voor-segghende de Kroon, hem naedemael gheschoncken:
Maer dit schyn-baerich vier van hem rasschelijck vloot,
Als een vermeynde sterr' die spyse-loos valt doot.
Het uwe jeuchdich blyft, groeyende met u oude ,
Altoos meer ende meer ghelijckende den goude;
Altoos meer ende meer te kennen ons het gheeft,
Dat ghy een Koninghinn' van alle vrouwen leeft.
Wie en verwondert niet niet te sien de gouden stringhen .
Vyt der natueren gheest onder elckander vringhen ?
Noyt Delphin in de zee in zijn weer-stille jacht ,
Soo menighen speel-keer onder elck-ander vlacht ;
Noyt, als de Son met haer ongheweert -vyandt -raeyen ,
Der winden hert gheblaes verbiedt spytich te waeyen;
Noyt dan den voghel-heer en draeyt soo in zijn vlucht,
En met zijn vloghel-scheers en maeyt de soete lucht.
Och Haer, ghevlochten Haer! De spin tot gheender uren .
En breyde sulck een net uyt den gheest der natueren :
Noyt den zyd'-worme veegh , als hem de doodt quam an,
Hem selven uyt hem self sulck weerdich dootkleet span:
'Tis de Goden een vreucht, een wonder voor de menschen;
Des' eerent, en ontsient; de die om 'tselve wenschen.


Het is, het is den nest van Venus roeck'loos kindt,
Ghewapent , en ghevleerckt , bedriegher naeckt, en blindt :
Hier wierdt eerst opghevoedt als in een weerde plecke ,
Als in eenen speel-hof bevrydt van alle vlecke :
Van dit Haer zijn natuer', en zijn ghewaech hy track ;
In dit Haer hy zijn torts hert-brandende eerst onstack:
Van dit Haer hy de pees' van zijnen boghe draeyde;
Dit Son-luysterend'Haer zijns ooghen strael uytlaeyde :
Van dit Haer worden hem zijn vloghelen ghemaeckt:
Van dit Haer, soo hy is, quam hy eerst moedernaeckt:
Hier leerd' hy eerst den mensch waen-trouwelijck bedrieghen,
Siende 'tself met den windt licht-veerdelijck vervlieghen.
Dit is, dit is de torts, die myn herte, Lief, schendt:
Dit is de straffe pees' die my den schicht toesendt:
Dit is den klaeren glans die'ck niet en kan verdraeghen:
Dit is 'svloghels ghespan, die my over-al jaeghen:
Dit is 'tonstandich 'twelck met u hert' hem vout :
'Twelck my nu hope gheeft, en nu weder verflout :
Dit is het Haer het welck my duysent, duysent werven,
Van der Sonnen op-ganck, tot onderganck doet sterven:
Dit is het Haer het welck door zijnen wilden gloet,
Met u vreedtheydt myn doodt ghesworen hebben moet.
Och wanneer sal dien dach, dien soeten dach eens schynen,
Dat door myn lanck verdrach des' vreedtheydt sal verdwynen!
Dat ghy d'ontrouwe vluch van u licht-vliegich Haer,
Noch 'thooveerdich opstel niet en sult volghen naer !


Maer siend' het selv' altydt ghehoorsaemheydt u bieden,
En naer den will' uvs handts, nu hier, en nu daer vlieden:
Siende dat pluym-saecht is; sult my ghenade doen ,
En myn ghetrouwe liefd' oock saechtelijck opvoen .
Nu dan, nu dan aensiet mijne betraende ooghen,
Laet mij die met u Haer, lief, eens soetelijck drooghen:
Van mijnder traenen vloedt sal ickt dan maecken nat,
Dat door-gaens leken sal van overvloedt heel sat :
Dan sal ickt aen mijn hert, gheroost door des brandts pyne,
Vlechten tot laevenis, als koele medecijne.
Och lief, och lief, laet toe d'welck u niet schaen en mach ,
En my bringhen nochtans uyt myn bitter gheklach:
Dan sal ick met myn dicht soo hoogh' uwen naem heffen,
Dat den hemel den prys lichtelijck sal beseffen ;
En segghen dat met recht Godt u Haer heeft ghestelt.
Op 'topperste des hoofts, als alder vrouwen beldt .


[1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] >>

terug/previous verder/next